Marenne van Kempen

Bestuurder van Lokalis, buurtteamaanbieder in Utrecht:

‘Het is tijd om te versnellen in de richting van preventie’

‘Dit is een wereldbaan’, zegt Marenne van Kempen van Lokalis, de Utrechtse organisatie die achttien buurtteams voor jeugd & gezin plus twee teams verbonden aan het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs onder haar hoede heeft. Die wereldbaan dankt ze naar eigen zeggen vooral aan de heldere visie en consequente keuzes van de gemeente Utrecht. Na vier jaar pionieren wordt de noodzaak van integraal werken in de wijk steeds meer bevestigd.

Toen Marenne van Kempen in 2014 hoorde dat de gemeente Utrecht een organisatie zocht die met een plan kon komen voor een nieuwe vorm van jeugden gezinshulp vanuit buurtteams, sprak die uitdaging haar meteen aan. ‘Persoonlijk kon ik me helemaal vinden in de visie van de gemeente en had ik daar ook veel vertrouwen in. Bij bepaalde onderdelen van de specialistische jeugdzorg heb ik altijd twijfels gehad omdat een deel van die hulp ver verwijderd was van de leefomgeving van gezinnen. Utrecht wilde dat anders gaan doen.’

Na vier jaar pionieren wordt de noodzaak van integraal werken in de wijk steeds meer bevestigd.

Met een aantal mensen uit verschillende organisaties schreef ze een subsidieaanvraag en richtte ze een nieuwe organisatie voor de buurtteams jeugd & gezin op, Lokalis genaamd. Een sprong in het diepe, maar ze had veel vertrouwen in de aanpak van de gemeente. ‘Vanuit mijn vorige functie had ik gevolgd hoe Utrecht dat deed, met een eerste visiedocument, leidende principes voor de transformatie en pilotteams die zorgvuldig en kritisch werden samengesteld. Die kwaliteit was wel een verschil met de manier waarop sommige andere gemeenten het aanpakten.’ Nadat Lokalis eind 2014 de opdracht had gekregen, moest ze ervoor zorgen dat op 1 januari 2015 in de hele stad buurtteams actief werden. ‘Dat was spannend want het was een vorm van hulp die nauwelijks historie had en waarvoor niemand de juiste opleiding of ervaring had. Tegelijkertijd hadden we vanaf de eerste dag wel te maken met ouders en kinderen en waren we verantwoordelijk voor de basiskwaliteit van de hulp, zonder dat we konden oefenen. Om die basiskwaliteit te borgen hebben al onze medewerkers bijvoorbeeld meteen een training Zicht op Veiligheid gevolgd, zodat ze weten hoe ze moeten omgaan met veiligheidsvraagstukken binnen gezinnen.’

Aan belangstelling van professionals had Lokalis geen gebrek.

Generalistische buurtteamprofessionals

Aan belangstelling van professionals had Lokalis geen gebrek. ‘Onze teammanagers kregen stapels brieven’, vertelt Marenne van Kempen. ‘Dat was een enorme luxe. Het enthousiasme van die sollicitanten om mee te bouwen aan dit nieuwe vak was fantastisch. Veel mensen deelden vanuit hun eigen ervaring ook de behoefte om meer te doen in gezinnen dan waartoe hun opdracht vroeger beperkt was.’ Voor de buurtteams nam Lokalis alleen geregistreerde jeugdzorgwerkers aan. Om aan te sluiten bij de uitgangspunten van de transformatie en de bredere vraagstukken van gezinnen, moesten zij anders gaan werken dan ze gewend waren. Het moeilijkste was de stap van specialist naar generalist. ‘Je kunt het vergelijken met een chirurg die huisarts wordt en daarvoor wel bagage heeft, maar ook nog een flinke ontwikkeling moet doormaken. Daarom bespreken we de samenwerking altijd expliciet met ouders en kinderen, hebben alle gezinswerkers een maatje, doen alle teams aan casuïstiekbespreking en hebben we intervisiegroepen. Dat leren in het proces met gezinnen en van elkaar hebben we een “reflectieve werkpraktijk” genoemd. Het kostte moeite om deskundigheidsbevordering van buitenaf in te schakelen omdat niemand iets voor ons op de plank had liggen. Voor veiligheid lukte dat omdat daar ook wijkgerichte vernieuwingstrajecten plaatsvonden, maar voor andere onderwerpen, bijvoorbeeld psychische problematiek, moest de kennis over de rol van de generalistische buurtteamprofessional zich nog uitkristalliseren.’

We hebben nog veel te leren, maar overal in Utrecht is de basishulp van de grond gekomen en wordt die goed gewaardeerd door gezinnen.

Samenwerking

Over de wijze van financiering en verantwoording van de buurtteams hoefde Marenne van Kempen zich weinig zorgen te maken. ‘Dankzij de gemeente konden wij ons op de inhoud van het werk richten omdat de randvoorwaarden op orde waren. De gemeente is zo verstandig geweest om de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de transformatie bij de organisaties te leggen en hen daarvoor een lumpsum te geven. Wij hoeven dus niet in producten met bepaalde tarieven af te rekenen. Utrecht is moedig geweest, heeft ons vertrouwen geschonken en van meet af aan ook geïnvesteerd in zowel kwalitatieve als kwantitatieve verantwoording.’ Om ervoor te zorgen dat de buurtteams dichtbij gezinnen zouden werken, snel ingebed zouden raken in de wijk en goed gingen samenwerken met andere professionals, nam Lokalis een aantal initiatieven. ‘We hebben er vanaf het begin een gewoonte van gemaakt om aan gezinnen te vragen wat ze goed en minder goed vonden. Met de partners in de wijk zijn de teams meteen gaan kennismaken en samen gaan leren door middel van procesevaluaties.’ Lokalis was zich bewust van de zelfstandige rol die huisartsen naast de buurtteams spelen in de verwijzing naar jeugdhulp. ‘Met de stedelijke organisatie van huisartsen, de HUS, hebben we concrete werkafspraken in een document vastgelegd. Wederzijds is er een grote bereidheid om te investeren in samenwerking, maar het zijn wel twee verschillende perspectieven die niet zo makkelijk bij elkaar komen. De meer medische insteek is waardevol, maar staat soms haaks op ons streven om niet altijd of niet alleen tot behandeling over te gaan, maar om een gezin te ondersteunen in het beter hanteerbaar maken van problematiek in hun dagelijks leven.’

De afgelopen jaren is uit het werk van de buurtteams ook gebleken voor welke vraagstukken in welke wijken preventie het meest zou kunnen betekenen.

Specialistische hulp

Vier jaar na de start is Marenne van Kempen tevreden over de stand van zaken in de buurtteams. ‘We hebben nog veel te leren, maar overal in Utrecht is de basishulp van de grond gekomen en wordt die goed gewaardeerd door gezinnen.’ Duidelijk is wel dat de inzet van specialistische hulp verder verbeterd kan worden. ‘In wijken met een hogere sociaaleconomische status (ses) blijkt relatief meer gebruik gemaakt te worden van specialistische hulp, terwijl in wijken met een lagere ses meer met veel ondersteuning van de buurtteams aan meervoudige problematiek wordt gewerkt. Dat verschil bestaat al langer en heeft onder meer te maken met de manier waarop de specialistische hulp georganiseerd is. Daardoor is de context van gezinnen minder in beeld. Om dat patroon te doorbreken is nu onder regie van de gemeente in drie wijken een pilot met specialistische teams opgezet. In deze wijken lukt het ons al veel beter om samen hulp op maat te bieden.’ Ze benadrukt dat het voor ouders en leerkrachten belangrijk is om naast specialistische hulp voor een bepaald probleem, bijvoorbeeld ADHD, ook te zorgen dat het gedrag van dat kind geaccepteerd wordt en hanteerbaar is in het dagelijks leven. ‘Zodat het kind op zijn eigen school en sportclub kan blijven en oma ook nog gewoon kan oppassen. Gelukkig is de gemeente bereid om de gespecialiseerde jeugdhulp ook naar de wijk te brengen, zodat we deze ontwikkeling kunnen versnellen.’

Marenne van Kempen hoopt dat in 2025 de term jeugdhulp is afgeschaft omdat die teveel uitgaat van de structuur van instituties en niet van de vragen van gezinnen.

Preventie

Voor Marenne van Kempen is de transformatie pas echt geslaagd als problemen in een vroeg stadium gesignaleerd en aangepakt worden en, liever nog, worden voorkomen. Het is duidelijk dat veiligheidsproblematiek veel meer voorkomt in de ene wijk dan in de andere en volgens een vergelijkbaar patroon als schuldenproblematiek en schoolverzuim. ‘Door vroegsignalering, bijvoorbeeld op scholen, kun je erger voorkomen. Bij schuldenproblematiek doen we dat door gezinnen met betalingsachterstanden samen met de woningbouwvereniging actief te benaderen. Die vorm van preventie lukt ons steeds beter, maar echte preventie realiseer je uiteindelijk door gezinnen en wijken zo te leren kennen en te ondersteunen in hun eigen omgeving dat er minder veiligheidsof schuldenproblematiek ontstaat.’ Voorlopig hebben de Utrechtse buurtteams hun handen nog vol aan alle concrete problemen waarmee buurtbewoners naar hen toekomen. ‘Doordat de zorg voor jeugd toegankelijker is geworden en de vroegsignalering effectief is, krijgen we nu veel meer klanten. Dat staat nogal op gespannen voet met het werken aan preventie. Aan de andere kant betekent het wel dat we in gezinnen waar we binnenkomen vanwege schuldenproblematiek ook kunnen bespreken hoe het met de kinderen gaat en zo nodig bredere ondersteuning kunnen bieden.’ De afgelopen jaren is uit het werk van de buurtteams ook gebleken voor welke vraagstukken in welke wijken preventie het meest zou kunnen betekenen. ‘Samen met buurtbewoners, de jeugdgezondheidszorg, de sociale makelaars en de medische eerstelijnszorg willen we graag weken aan de onderliggende oorzaken van de problemen die in de wijken spelen. Neem bijvoorbeeld taalvaardigheid, een onderwerp waar ik vier jaar geleden niet aan dacht, maar dat door de transformatie ook binnen zorg voor jeugd veel beter aan het licht komt. Taalvaardigheid valt niet direct onder onze opdracht, maar we kunnen op zijn minst signaleren dat taalproblemen ouders en kinderen beperken in het vervullen van hun rollen. Vervolgens kunnen we met andere organisaties bespreken hoe we elkaar kunnen versterken.’

We hebben kennis nodig voor het leveren van maatwerk; een combinatie van evidence based en contextgericht werken.

Kennis

Waar Lokalis in de transformatie onder andere tegen aanloopt zijn de opleidingsvragen van buurtteammedewerkers waarvoor geen kantenklaar aanbod is te vinden. De organisatie heeft 350 professionals in dienst die graag bijgeschoold willen worden, maar Marenne van Kempen vindt het een grote opgave om dat allemaal in eigen huis te doen. ‘We zijn geen opleidingsinstituut. Gelukkig hebben we de afgelopen jaren als buurtteamaanbieders veel werkbezoeken bij elkaar afgelegd en geconstateerd dat we allemaal tegen dezelfde vragen rond deskundigheidsbevordering aanlopen. Daarom ben ik betrokken bij de oprichting van de associatie van wijkteamorganisaties. We bundelen nu samen met de andere wijkteamaanbieders, het Nederlands Jeugdinstituut en Movisie de krachten op het thema Vakmanschap. Ook zijn we als associatie gesprekspartner voor VWS, Jeugdzorg Nederland en Sociaal Werk Nederland en werken we vanuit onze eigen agenda aan zaken als veiligheid van kinderen, wijkgericht werken en de mate waarin de randvoorwaarden consistent zijn met de opdracht.’ De associatie van wijkteamorganisaties is het erover eens dat kennisinstituten belangrijk zijn voor het vakmanschap, maar dat het inbrengen van externe kennis niet makkelijk is. ‘Professionals treffen kennis aan die niet aansluit bij hun praktijk. Daarom hebben we in de volgende fase van de transformatie gesprekspartners nodig die de bestaande kennis anders gaan ontsluiten, bijvoorbeeld uit de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. We hebben kennis nodig voor het leveren van maatwerk; een combinatie van evidence based en contextgericht werken. Daarmee zullen we de kwaliteit van het wijkgericht werken de komende jaren met veel plezier gaan versterken.’

Onze opdracht is gezinnen te helpen bij het realiseren van duurzame verbetering.

Positie

Marenne van Kempen hoopt dat in 2025 de term jeugdhulp is afgeschaft omdat die teveel uitgaat van de structuur van instituties en niet van de vragen van gezinnen. ‘Gezinnen hebben vragen over kwesties als schulden, stress, lichamelijke klachten, opvoeden of de veiligheid in de wijk. Alle kwesties hangen minder of meer samen met problemen of risico’s bij kinderen, maar dat vertalen gezinnen niet in een vraag om jeugdhulp. De term jeugdhulp zegt hen niets.’ Het liefst zou ze ook zien dat haar organisatie in 2025 kleiner aan het worden is omdat de buurtteams er dan in geslaagd zijn veel problemen in gezinnen te helpen voorkomen. ‘Dat kan bijvoorbeeld doordat we vechtscheidingen voorkomen door sneller met ouders in gesprek te gaan over de gevolgen voor de kinderen. Tegen die tijd vindt iedereen dat belangrijk en gaat er steeds meer geld van specialistische hulp naar preventie.’ Om dat ideaal te verwezenlijken vindt ze het noodzakelijk dat alle professionals zich goed realiseren welke positie ze tegenover gezinnen hebben. ‘We zijn passanten die waardevol zijn voor het versterken van gezinnen, maar we zijn geen onderdeel van hun oplossing. De insteek moet vertrouwen in het gezin zijn. Hulpverleners moeten meer betrokken zijn bij de leefwereld van gezinnen en niet de regie overnemen. Het is logisch dat professionals vanuit een gevoel van urgentie met oplossingen komen, maar daardoor wordt de onderliggende problematiek van gezinnen niet automatisch kleiner. Onze opdracht is gezinnen te helpen bij het realiseren van duurzame verbetering.’